Sartre gelooft
in de maakbaarheid van de wereld en de taak van elk individu hierin. De
samenleving, die vormen we zelf. Het is niet iets dat boven ons gebeurt of het hoort toch alleszins niet zo te zijn. De mensen om ons heen kunnen ons leven knap lastig maken. Daarvan moeten we ons bewust zijn. Toch is Sartre geen pessimist, al wordt het hem vaak verweten. Hij is een existentialist: de filosoof staat midden in de realiteit, kijkt realistisch om zich heen en ziet de gebreken, maar ook de mogelijkheden. En die maken we zelf waar.
Laten we nog even terugkeren naar de angst en onzekerheid van het ‘niet-zijn’ in ons leven. We zijn algauw geneigd om ons achter rollen te verschuilen. Dan zijn we ‘iets’, terwijl we in de verkeerde veronderstelling verkeren dat we op die manier ‘iemand’ zijn. Iemand anders. Dat klopt volgens Sartre helemaal niet.
Rollenspel
Denk aan een ober die overdreven zijn best doet om als de perfecte ober over te komen. Hij loopt iets te stijf, begroet je een tikje te vriendelijk, balanceert zijn dienblad ostentatief en met grote precisie, en geeft de bestelling professioneel door aan de bar, zoals de Parijse obers dat doen: ‘Eén koffie, één’. Hij doet zodanig zijn best om op te gaan in zijn rol dat hij verzaakt aan zijn eigenlijke taak: zichzelf zijn. Zichzelf, en niet de verpersoonlijking van een cliché.
Uiteindelijk blijft hij toch de man met een wat laag zelfbeeld en nood aan bevestiging, omdat men hem vroeger thuis en op school heeft gezegd dat hij niets zou bereiken in zijn leven. ’s Morgens maakt hij automatisch en plichtsbewust de keuze om zijn keurig oberspak aan te trekken en naar het werk te gaan. Iets beters zal hij toch nooit vinden, zo houdt hij zichzelf voor.
Vrijheid als bestaanskern
Mensen houden zichzelf al te vaak voor dat ze niets kunnen veranderen, volgens Sartre. Laat ons deze gedachte even opentrekken. Kan je beweren dat je de baan die je verafschuwt absoluut moet houden om de rekeningen te kunnen betalen? Of is dat een dramatische overdrijving om te verdoezelen dat je de verandering eigenlijk niet aandurft? Kan je beweren dat je lichtgeraakt hebt gereageerd op iemand omdat je nu eenmaal zo bent? Of is het een excuus om niet aan jezelf te moeten werken? Kan je ongeïnteresseerd blijven volhouden dat politiek allemaal onzin is en klagend afzijdig blijven? Of is dat een gemakkelijke uitvlucht om de inspanning niet te moeten leveren om je te verdiepen in de verschillende standpunten en een keuze te maken?
Mensen vluchten gemakshalve in een onechte wereld van rollen en standaardantwoorden en uitvluchten. Een andere belangrijke vluchtweg uit de realiteit is de amusementsindustrie. De indruk van een zorgeloze oase zorgt dat de terugkomst in de realiteit nog harder aankomt en men terug wil naar de frivole fantasiewereld. Wegkijken van de realiteit doet haar echter niet verdwijnen. Beseffen we dat voldoende?
Gezag versus vrijheid
Voor Sartre is keuzevrijheid, en de verantwoordelijkheid die daarbij hoort, enorm belangrijk in ons bestaan. Het is de kern ervan zelfs. Laten we niet vergeten dat Sartre zijn denken ontwikkelt vanaf de duistere dagen van de Tweede Wereldoorlog, waar vrijheid bijzonder breekbaar waren geworden en begrippen als gehoorzaamheid en plicht hard doorwogen. Sartre durft daarom te stellen dat zelfs in de grootste onderdrukking de mens nog steeds over fundamentele vrijheden beschikt en die nooit mogen ontkennen voor zichzelf.
Tussen de scherven en brokstukken van de oorlog leert Sartre ook dat elke vorm van gezag een mogelijke onderdrukking inhoudt. Zijn argwaan is groot ten aanzien van gezag. Wanneer een gezag of overheid je vrijheid beknot en je denken overneemt, dan ben je onderdrukt. Daar gaat Sartre ver in. Hij is een kind van zijn tijd, in de aanloop naar de culturele revolutie van mei '68.
De ander en ik
Er is daarnaast nog een ontkenning van je vrijheid van heel andere aard en die situeert zich
bij de ander. Hoewel je voor jezelf een subject bent (iemand), ben je voor de
ander als het erop aan komt een object (iets). De blik (le regard) van de ander maakt je tot een object van hem
of haar.
Het is iets dat we vaak doen: de ander categoriseren als belangrijk of onbelangrijk. Sartre legt dit uit langs een heel herkenbaar voorbeeld. Hij heeft afgesproken met zijn vriend Pierre in een café. Op het afgesproken uur komt hij het café binnen en bekijkt hij alle aanwezigen, op zoek naar zijn vriend Pierre. Op basis van de vraag: ‘Ben jij Pierre?’, zal hij hen één voor één ‘vernietsen’ (néantiser) tot niet-Pierre en dus niet-belangrijk. Ze worden een object in zijn ogen: ze worden tot ‘niets’ herleid.
De blik
Nog een
illustratie. Je kijkt nieuwsgierig door een sleutelgat en je gaat volledig op in wat je ziet. Je bent je zelfs niet bewust van iets anders dan wat je ziet gebeuren in die ruimte. Plots hoor je naderende
voetstappen en vol schaamte besef je dat iemand jou ziet. Jij wordt nu in de blik van die ander een gluurder. Jouw identiteit wordt herleid tot een label dat op jou wordt gekleefd. De
hamvraag luidt nu: hoe zwaar laat jij dat label voor jezelf doorwegen? In welke mate laat je toe dat het label bepaalt wie jij bent? Denk maar aan de ober van daarnet, die de negatieve boodschappen heeft overgenomen en nu op zichzelf toepast.
Volgens Sartre is samen zijn met anderen vaak een strijd: óf jij objectiveert de ander en bewaart je eigen vrijheid, óf de ander objectiveert jou. Labels kunnen zwaar wegen. Daarom zegt Sartre ook gevat: ‘De hel, dat zijn de anderen.’ (‘L’enfer, c’est les autres.’) De ander kan jou in zijn of haar vrijheid bestempelen als ‘lui’ of ‘eigenwijs’ of ‘dom’. Je kunt ‘een ongeleid projectiel’ genoemd worden, of ‘maatschappelijk onaangepast’, ‘een leugenaar’ of ‘een naïeveling’. Je herkent zelf vast ook dergelijke onaangename ervaringen. De ander kan je eenzaam doen voelen, omdat hij of zij je niet respecteert of accepteert.
Dergelijke labels en oordelen kunnen gigantische proporties aannemen: zo is de holocaust kunnen geschieden. De Jodenster was letterlijk een label waarmee de één het leven van de ander tot een hel kon maken. En net zo worden ook nu bevolkingsgroepen gediscrimineerd omwille van hun huidskleur, afkomst, geloofsovertuiging, seksuele voorkeur, politieke overtuiging, noem maar op. Je kan zelf niets veranderen aan het oordeel dat je wordt opgekleefd. Dat is wat mensen mekaar kunnen aandoen - onwetend en volgzaam, of juist wreed en zelfvoldaan.
Ermee omgaan
Je kunt niets doen aan de labels die je worden toegekend. Het gebeurt, jij bent slechts het object. Je kan je wel losmaken uit de rol van object van de ander. Sartre somt vier mogelijke reacties op. Met de ‘tegenblik’ kan je de ander tot object maken, en een koekje van eigen deeg geven. Je gaat in de tegenaanval, je gaat de confrontatie aan. Een andere mogelijkheid is om langs verleiding het oordeel van de ander trachten te veranderen en om te buigen naar iets positiefs.
Een derde
reactie ligt in authenticiteit. Nee, je niet kunt voorkomen dat anderen je
herleiden tot een label, maar je hoeft jezelf daarom dat label niet op te leggen. Je
kunt erkennen dat er labels van anderen over jou bestaan in hun wereld, maar
jij behoudt altijd de vrijheid om daar bovenuit te stijgen en je bestaan zelf
te bepalen.
Een vierde mogelijkheid is wederzijdse erkenning. Hoewel Sartre hier zelf aanvankelijk sceptisch tegenover stond, zou hij de suggestie van zijn partner Simone de Beauvoir gaandeweg aannemen dat we door ‘ethische vrijheid’ elkaars vrijheid kunnen respecteren en ondersteunen in plaats van te bevechten vanuit het eigen gelijk of principes of regels. Dat betekent dat je de ander niet belemmert maar juist aanmoedigt.
Deze tweede bijdrage heeft de filosofische visie van Jean-Paul Sartre verder in beeld gebracht. De laatste bijdrage in het drieluik zal nog twee thema's aan bod brengen: ethiek en de eindigheid. Daarna volgen enkele bedenkingen en tekortkomingen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Reageer