Posts tonen met het label Heidegger. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Heidegger. Alle posts tonen

donderdag 14 mei 2026

Denken met Sartre (1): Die verschrikkelijke vrijheid

Sta me toe je mee te nemen in de boeiende denkwereld van Jean-Paul Sartre (1905-1980). Hij is een Franse filosoof, meer bepaald een existentialist. Dat betekent dat zijn visie vertrekt uit ons concrete bestaan, en niet vanuit grote, overstijgende structuren en denkkaders. Sartre staat midden in de werkelijkheid, kijkt om zich heen en wijst de pijnpunten aan van ons bestaan. Die wereld is intussen weer wat geëvolueerd in technologie en in omgangsvormen, maar de pijnpunten, die blijven precies dezelfde. Een goede reden voor een existentieel drieluik rond Sartre, niet hoogdravend, maar vlot leesbaar. Denk je even mee? Dat is namelijk de bedoeling: dat je mee op weg gaat en meepikt wat jou zinvol en betekenisvol lijkt. Misschien kan deze verrassende kijk op het bestaan je inspireren.

Zoals wij als mensen in ons bestaan en in de wereld staan: dat is de basis van Sartres denken. ‘De existentie gaat de essentie vooraf’: eerst nadenken over wie en hoe we zijn, dan pas redeneren en conclusies trekken over het bestaan zelf.

Concreet

Daarmee zet Sartre zich af tegen een eeuwenlange traditie van filosofen die het bestaan verklaren vanuit beginselen, in schema’s en structuren. Even in snelle vaart, om een idee te geven: de vroege Griekse denkers zoeken het oerbeginsel in natuurelementen: Thales van Milete (ca 624-545vC) ziet het beginsel van alles wat bestaat in water, Anaximenes (ca 585-526vC) in lucht en Herakleitos (ca 540-480vC) in vuur. Pythagoras (ca 570-500vC) daarentegen ziet een wiskundige harmonie als basis van het bestaan en Anaximander (ca 610-546vC) een niet te benoemen onbegrensdheid. 

Bij Plato (ca 427-347vC) is het beginsel de Ideeënwereld, een volmaakte werkelijkheid los van onze wereld, waar het zuivere en volmaakte bestaat. Bij Aristoteles (384-322vC) gaat het bestaan over het doel dat bezit neemt van de materie, ook van ons lichaam dus. 

De Romeinse denker Plotinus (ca 204-270) vertrekt vanuit ‘het Ene’, een goddelijk beginsel van goedheid. Christelijke filosofen, zoals Augustinus (354-430) en Thomas van Aquino (ca1225-1274), vertrekken vanuit God en de schepping. Voor de rationalist Feuerbach (1804-1872) begint alles bij de rede, bij het menselijk verstand. Vanuit een beginsel wordt geanalyseerd waarom we leven en hoe we dat moeten doen.

Keuzestress

Deens filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) zet zich als eerste af tegen deze denkmethode. We mogen hem de eerste existentialist noemen, al heeft hij dat zelf nooit gedaan. Er is geen algemene waarheid, er zijn alleen maar concrete beslissingen in een concrete situatie. In ons eigen bestaan ervaren we angst omdat we moeilijke keuzes moeten maken. Keuzes zijn altijd een sprong in het donker.

Jean-Paul Sartre volgt hem daarin: alles komt neer op persoonlijke keuzes. Waar Kierkegaard uiteindelijk het begin van alles bij God legt, en ook het doel van ons bestaan, doet Sartre dat niet. Ons leven vertrekt volgens Sartre vanuit een leeg canvas. Dat klinkt op zich best uitnodigend, maar juist omdat het op werkelijk alles in ons bestaan betrekking heeft, zijn de gevolgen van dit uitgangspunt groot.

Zelfbewust

Wanneer Sartre naar de werkelijkheid kijkt, dan bemerkt hij een fundamenteel onderscheid tussen ‘mensen’ (subjecten) en ‘de dingen’ (objecten). Daarin volgt hij Martin Heidegger (1889-1976). Een mens verschilt duidelijk van een steen. Een steen is niets meer of minder dan een steen. Een steen vraagt zich niet af waarom hij een steen is, verlangt niet om een betere steen te worden en is niet jaloers op andere stenen. Dat komt omdat een steen geen zelfbewustzijn heeft.

Hier begint het eigen denken van Sartre. Een steen is een ding op-zichzelf (en-soi): het is onveranderlijk, het kent zichzelf niet en het hoopt en wenst niets. Bij ons, mensen, zit dat anders. Mensen hebben wel dit zelfbewustzijn en zijn daardoor niet op-zichzelf, maar voor-zichzelf (pour-soi). Hun bestaan bepalen ze voor zichzelf. Dat doen ze vanuit een fundamentele en onbegrensde vrijheid. Mensen zijn altijd vrij om keuzes te maken, om voor iets te kiezen en dus tegen iets anders.

Niet-zijn dus

Dat zorgt ervoor dat een mens niet vaststaat, maar altijd voorlopig is, onderweg. De keuzes die gemaakt worden, veranderen je als mens. Dit kan avontuurlijk en uitnodigend klinken, maar uiteindelijk is het ‘zijn’ van de mens altijd slechts een ‘worden’, een ‘nog-niet-zijn’: onvolledig en onduidelijk. 

Op het scherp van de snede is het uiteindelijk dus een ‘niet-zijn’, concludeert Sartre. Zijn is namelijk stabiel, standvastig, volwaardig. De voortdurende gewaarwording van onzekerheid en onvolledigheid, van twijfel en verlangen maakt de mens onrustig en angstig.

Gegevenheden

In die angst kan men opwerpen: ‘Maar we hebben in ons leven toch te maken met zaken die ons gegeven zijn en die ons bepalen? Opvoeding, gezag en cultuur bijvoorbeeld.’ Deze zaken kunnen inderdaad een belemmering lijken voor onze volledige keuzevrijheid. Ze zijn ‘gegevenheden’ (facticité) waar we op zich vaak niets aan kunnen veranderen. 

Dat klopt inderdaad, volgens Sartre, maar het neemt niets weg van onze vrijheid. Onze grenzeloze vrijheid ligt in hoe we met die gegevenheden omgaan: je kunt je schikken naar een situatie of je ertegen verzetten. En er zijn oneindig veel manieren om je te verzetten. Hier voelen we iets van de rebel die Sartre is.

Veroordeeld

Er is overigens wel een keerzijde aan die vrijheid, en eentje met een zwaar gewicht volgens Sartre, namelijk: verantwoordelijkheid. Een mens is verantwoordelijk voor al zijn eigen keuzes én voor de gevolgen van de zelf gemaakte keuzes. Je kunt de verantwoordelijkheid voor je keuzes op niets of niemand afschuiven. Precies daarom kan de vrijheid aanvoelen als enorm beangstigend. 

Sterker nog: Sartre beweert dat we veroordeeld zijn tot de vrijheid. (‘L'homme est condamné à être libre.’) We hebben niet gekozen om geboren te worden, maar eenmaal in deze wereld geworpen, dragen we wel alle verantwoordelijkheid voor wat we doen en laten. De vrijheid als een last dus.

Ontlopen

We hebben dan ook soms de neiging om onze vrijheid (en verantwoordelijkheid) te ontlopen. Zelfbedrog (mauvaise foi) noemt Sartre dit. We liegen ons voor dat we niet in de mogelijkheid zijn om te kiezen en ontkennen onze eigen absolute vrijheid en verantwoordelijkheid. We geven de schuld aan omstandigheden of gehoorzaamheid of gewoonten of denksystemen en gaan een rol aannemen. Met die rol willen we onszelf herleiden tot een object, een ding-voor-zichzelf, zoals een steen. ‘Ik kan er niets aan doen, het is nu eenmaal zo.’ Het ontkennen van onze fundamentele vrijheid en het ontlopen van onze verantwoordelijkheid is niets meer en niets minder dan onszelf beliegen, onszelf voor de gek houden.

Het is iets wat we vaak doen uit angst of ongemak: ons mens-zijn ontkennen en een schuilplaats zoeken in valse zekerheden. De eigen verantwoordelijkheid wordt met veel argumenten weggeschoven. En desnoods wordt er een zondebok gezocht. De rijken, de vreemdelingen, de linksen of de rechtsen, noem maar op. Maar zelf treft men geen schuld. Dat is van op de zijlijn roepen en zelf je verantwoordelijkheid ontlopen volgens Sartre. Hij heeft daar wellicht een punt. 

Toen en nu

Op zich klinkt dit allemaal redelijk radicaal. Belangrijk is om te begrijpen waarom Sartre de werkelijkheid zo ziet. Het begin van de twintigste eeuw is besmeurd door twee vreselijke oorlogen. Er worden orders en bevelen opgevolgd, een hele bevolkingsgroep wordt systematisch uitgeroeid en ondertussen worden de mensen uitgebuit door fabrieksbazen en onrechtvaardige leiders. Het moet anders. Verandering begint bij jezelf. Sartre wil de mensen losrukken uit een ongezonde volgzaamheid en gehoorzaamheid. 

Ook vandaag hebben we soms het gevoel dat we geleefd worden. En het rommelt op wereldvlak. We worden verteld dat we van alles moeten kopen om mee te zijn en dat we er veel beter uit kunnen zien. We vluchten vaak in onze eigen kleine bubbel van de smartphone bijvoorbeeld, televisie en amusement, of we gaan gedwee mee in het holle geklaag dat het vroeger allemaal beter was. Maar wat dóe je? Waar bouw jij bewust en eigenhandig aan mee? 

Enkele doordenkers.
Hoe ga jij om met je vrijheid? 
Beleef je die heel bewust of is het gewoon een gegeven? 
Is je vrijheid in jouw ervaring zo groot als Sartre ze omschrijft?
Hoe ga jij om met onzekerheid in je bestaan?
Verschuil je je soms achter een schijnreden om niet te moeten beslissen?
Durf je moeilijke beslissingen te nemen, ook als ze je leven overhoop kunnen halen? 
Of vermijd je dat liever?

In het volgende deel gaan we verder in op keuzevrijheid en de invloed die andere mensen daarop hebben.

dinsdag 14 april 2026

Geluk: (2) Instant geluk is een illusie. Een filosofische wandeling.

We maken een filosofische wandeling doorheen de tijd met de focus op geluk en hoe we het als mens kunnen nastreven en vinden. Of eventueel niet vinden, of niet meteen. Hopelijk ervaar je het niet als een al te zware trektocht. Hou voor jezelf in gedachten wat jou spontaan aanspreekt, triggert of uitdaagt, en ga ook na waarom. Deze bijdrage is filosofisch: je mag je dus veel vragen stellen en je laten verrassen. Bij welke filosofen vind je interessante en inspirerende gedachten en overdenkingen terug?

Aristoteles: een grote inspanning

Aristoteles (384-322 voor Christus) ziet overal een doel in. Alles in de kosmos heeft een eigen doel en streeft daarin naar perfectie. Zo bestaat het doel van de mens erin om weloverwogen te handelen en op die manier deugdzaam te leven. Wie de deugen nastreeft, die handelt verstandig, rechtvaardig, moedig en gematigd. Dat zijn de belangrijkste of 'kardinale' deugden. Het zijn begrippen die meer dan twee millennia later eigenlijk nog altijd aanvaardbaar klinken. We weten spontaan dat we niet kunnen rekenen op iemand die alsmaar dwaze dingen doet, en die oneerlijk, laf en onvoorspelbaar is. Daarop kunnen we ook geen samenleving bouwen.

Door aan ons leven een doelgerichtheid te koppelen, krijgt ons leven vanzelf zin, aldus Aristoteles. We verbinden ons eigen, kleine, beperkte bestaan met iets dat groter is dan onszelf, iets dat ons overstijgt. Dat hoeft geen god te zijn. Geluk bereik je bij Aristoteles door deugdzaam te leven, door het goede te doen. We mogen ons niet vergissen hierin: het vergt een grote inspanning om altijd juist te handelen. Geluk, dat is een neveneffect, geen doel op zich. Volgens Aristoteles is geluk niet echt een gevoel, het is eerder een activiteit. Geluk, dat doe je, je bent of je hebt het niet zomaar. Er zit iets in, toch? Wij zien geluk misschien teveel als iets van het eigenste moment, zoals een sprookjesachtig fotomoment.

Diogenes: de eenvoud

Een filosoof die onze ogen misschien verder kan openen, is een tijdsgenoot: Diogenes (404-323 voor Christus). Hoewel hij van rijke komaf was, leefde hij in een ton op de markt van Athene. Zijn enige bezittingen waren een mantel om zich te bedekken, een kom om uit te eten en een nap om uit te drinken, zo wordt beweerd. Toen hij zag hoe een jongeman zijn handen gebruikte als kom om uit te drinken, heeft Diogenes meteen zijn eigen eetgerief ook weggegooid. Hij leefde dus in alle eenvoud: 'als een hond', zo werd neerbuigend gezegd. Hij waste zich niet, deed zijn gevoeg op straat en hij zei wat hij dacht. In die eenvoud vond hij geluk. 

Alexander de Grote had gehoord van deze merkwaardige verschijning en kwam hem opzoeken. De grote koning zei tegen de filosoof: 'Wat wil je graag hebben? Wat je maar wil, je krijgt het.' Diogenes antwoordde: 'Als ik alles kan krijgen, wil je dan een stap opzij doen, want je staat voor de zon.' Zo eenvoudig kan geluk zijn: genieten van de zon, zittend in een ton. Zou het kunnen dat rijkdom en complexe gedachten ons weghouden van geluk? Misschien proberen we te hard om geluk te verankeren in dingen, in spullen.

Tussendoor: geluk hebben of vinden

Meer dan in onze tijden beseffen de oude Griekse filosofen dat geluk niet alleen te maken heeft met je eigen streven en je eigen keuzes. In een tijd waar men gemiddeld 35 jaar werd en veel ziektes onbehandelbaar waren, besefte men terdege dat ook de omstandigheden mee moeten zitten. Je moet wellicht wat geluk hebben om gelukkig te kunnen zijn. Wanneer alles tegenzit, is de afstand die overbrugd moet worden alleszins veel groter.

Alhoewel, ik heb zelf mensen mogen ontmoeten die ondanks een ongeneeslijke ziekte op veel te jonge leeftijd toch vrede vinden in hun situatie, dankbaar terugkijken op hun leven en concluderen dat ze, ondanks de zorgen om wie ze moeten achterlaten, eigenlijk wel gelukkig zijn. Het vergt een grote veerkracht, een bewonderenswaardig incasseringsvermogen, een positieve kijk op het bestaan. Maar het kan dus. Het blijft me verwonderen. 

Heidegger: eindigheid als zingever

Wij gaan uit van de beheersbaarheid van de dingen en steunen op wetenschap en techniek. Toch is onze kennis en vaardigheid ook vandaag enorm begrensd. Dat lijken we ons vooral te realiseren wanneer we daar direct mee geconfronteerd worden. Wanneer het over eindigheid en beperktheid gaat, kijken veel mensen vooral angstvallig de andere kant uit. Daarom lijkt de wereld soms een reusachtig pretpark waarin we verplicht zijn om ons te amuseren. We lijken onszelf ook te verplichten om onszelf tot in de perfectie te realiseren. Cosmetisch mooi en eeuwig jong. De eindigheid misleiden we er niet mee. Ook daar staat de wetenschap, waarop we zo sterk steunen, nog niet ver.

De eindigheid is eigenlijk de enige zekerheid in ons bestaan waar niet mee te onderhandelen valt. Sterker nog: de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) ziet de dood als de horizon die ons leven juist zinvol maakt. In het onsterfelijke leven zou niets nog belangrijk kunnen zijn. Dan is er geen reden meer om iets nu te doen. Niets hoeft nog, je kan het over honderd jaar ook doen. Zonder de dood zou ons bestaan saai en leeg worden. 

Schopenhauer: teveel willen

Als tegenklank maken we even ruimte voor Arthur Schopenhauer (1788-1860), niet meteen de meest vrolijke leerling in de klas. Mensen die geluk najagen, die zullen volgens hem alleen maar teleurgesteld worden. Geluk bestaat niet voor de mens. Die wil zoveel, en dat voortdurende verlangen zorgt ervoor dat we nooit tevreden zijn. Wanneer we iets hebben bereikt, dan willen we alweer iets anders. 

We streven naar dingen zonder ons af te vragen of ze echt belangrijk zijn. Het maakt ons ten diepste onvrij: we worden gevangengehouden door ons  onophoudelijke verlangen en verhopen. Wellicht is het inderdaad een goede houding om af en toe stil te staan, goed om ons heen te kijken en ons af te vragen wat we werkelijk nodig hebben, en na te gaan of we algemeen beschouwd wel goed bezig zijn. Stellen we onszelf realistische doelen? En waarom kiezen we zo doorgedreven voor iets en niet voor andere zaken? Waar liggen onze prioriteiten? Dat zou zeker een sleutel naar gelukkig kunnen zijn. Wie nooit genoeg heeft, is alleszins nooit tevreden, laat staan gelukkig.

Kymlicka: gelukkig kunnen zijn 

De hedendaagse Canadese filosoof Will Kymlicka (°1962) beklemtoont dat je de mogelijkheid moet krijgen om geluk na te kunnen streven. Vrijheid en gelijkwaardigheid zijn daar belangrijke voorwaarden voor. Geluk kan je vinden wanneer je je eigen weg uitzoekt in het leven en niet in allerlei keurslijven wordt geduwd. Dat betekent dat je goede raad kunt geven aan anderen, maar dat iedereen zelf op zoek moet kunnen gaan. Ook in de opvoeding is dat volgens hem essentieel: ouders zouden hun eigen logica en principes niet mogen opdringen, maar het kind opbouwend aanmoedigen in hun eigen zoektocht. Dat houdt ook in dat ze fouten kunnen maken en stommiteiten kunnen begaan. Dat hoort erbij. 

Ook in een samenleving vindt Kymlicka deze vrijheid en gelijkwaardigheid een fundament. We verschillen allemaal van elkaar en streven naar eigen doelen. Er zijn culturele verschillen, levensbeschouwelijke, ook economische. We zijn niet gelijk, geen kopieën van mekaar, maar we zijn wel gelijkwaardig. En de vrijheid van een ander zou nooit beknot mogen worden. Een samenleving die de waarde van een mens bepaalt op basis van leeftijd of geslacht of ras of voorkeur, is een samenleving die geluk inperkt. Wie zijn of haar eigen weg kan en mag zoeken, die kan ook geluk vinden. Twee randbemerking hierbij: niet iedereen is even ondernemend en niet iedereen begint vanuit een even warme en fortuinlijke start in het leven. Het risico bestaat dat geluk hier dus het privilege blijft van de 'happy few' die het geluk hebben dat ze 'het maken' in het leven en bereiken waar ze naar hebben gestreefd.

Tot slot: geen instant geluk

We zijn geluk steeds meer bij onszelf gaan zoeken doorheen de tijd en minder in gedeelde, tijdloze principes. Toch is er ook een sociaal aspect aan onze zoektocht: erkenning, bevestiging, maar ook confrontatie dragen bij tot ons algemeen welzijn, en dus ook tot ons gelukstreven. Het existentiële zoeken krijgt meer ruimte doorheen de tijd: je eigen waarden en normen, je eigen drijfveren en prioriteiten bepalen je weg naar geluk. 

Daar lonkt echter een belangrijk afleidingsmechanisme. Schijngeluk, dat we ervaren in rijkdom, eer, roem, macht of vluchtig genot, kan makkelijk verward worden met het eigenlijke geluk, met de essentie. Het is van alle tijden. Laat je niet bedriegen: geluk komt niet 'instant' en het is ook geen roes. Algemeen merk je doorheen deze filosofische wandeling dat geluk vrij algemeen beschouwd wordt als de vrucht van zoeken en streven, van hopen en bouwen. Het vergt een inspanning en tegelijk ook een bewuste manier van in het leven staan. Misschien is het zelfs niet direct te bereiken, maar is het eerder een cadeau dat je stilaan wordt toegeschoven zonder dat je het fervent hebt nagestreefd.

Tot zover deze filosofische wandeling. Ik heb het behapbaar en beknopt willen houden. Voel je vrij om je te verdiepen in een denker die je aanspreekt. In de derde en laatste bijdrage worden enkele wezenlijke bouwstenen voor geluk bijeengezocht.

Aanbevolen bijdragen:

Denken met Sartre (3): Mogelijkheden en tekorten